Als een plant wordt aangetast door bladluizen, stoot hij geurstoffen uit die sluipwespen aantrekken, de natuurlijke vijanden van de bladluis. Maar sommige luizen hebben bacteriën in hun lijf die de uitstoot van de geurstoffen verminderen, zodat de sluipwespen niet komen opdagen. Als je weet dat de belagers zulke bacteriën bij zich dragen, kun je gerichter natuurlijke vijanden inzetten.

De rol van de bacteriën is een voorheen onbekend mechanisme. Het is ontdekt door onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) en University of Oxford en gepubliceerd in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Nature Communications.
Hoe kom je op het idee om dit überhaupt te onderzoeken? Marcel Dicke, hoogleraar entomologie aan de WUR: “We wisten al dat bladluizen allerlei symbionten bij zich dragen die hen beschermen tegen een directe aanval van sluipwespen. Door brainstormen kwamen we op de vraag of ze niet al in een eerder stadium beschermend werken, namelijk door te voorkomen dat de wespen ze vinden. Dat blijkt inderdaad zo te zijn.”

Voortplanting zonder seks

Bladluizen zijn een groot problemen in de tuinbouw. Ze vermenigvuldigen zich enorm snel en daarbij is seksueel verkeer niet nodig: ze klonen zichzelf. Bovendien leggen ze geen eitjes, maar larfjes. Dat scheelt tijd en die larfjes beginnen meteen met zuigen van plantensappen. De plant is echter niet weerloos. Hij maakt verdedigingsstoffen aan en stoot bovendien stoffen uit om de hulptroepen te mobiliseren; dat zijn de natuurlijke vijanden van de luizen.
De luis van zijn kant heeft allerlei manieren om dat systeem te omzeilen. “Ze steken met hun naaldvormige monddelen langs de cellen, zodat ze zo weinig mogelijk alarmbellen doen afgaan. Ook kunnen ze de plantreactie zelf onderdrukken zodat er relatief weinig geurstoffen vrijkomen. Van de andere kant zijn ze vaak met heel veel exemplaren. Dan worden al die heel zwakke geursignalen bij elkaar toch een flink signaal, dat de sluipwespen op kunnen pikken”, vertelt Dicke.

Gerichtere inzet bestrijders

Maar als ze de juiste bacteriën bij zich hebben kunnen ze de geursignalen echter nog meer onderdrukken. “Het verschilt per populatie of ze die bacteriën bij zich dragen en in welke mate. Als je weet of ze aanwezig zijn, kun je de natuurlijke vijanden gerichter inzetten om de plaag onder controle te krijgen”, vertelt hij.
Sluipwespen leggen eitjes in de luizen; predatoren, zoals galmuggen, eten ze meteen op. Bij aanwezigheid van de betreffende bacteriën heeft de inzet van sluipwespen weinig zin en kan de teler beter kiezen voor predatoren.

Tekst: Tijs Kierkels