Hoewel de sneeuwbuien de laatste weken nog regelmatig overtrekken, kun je aan de tijden van zonsopkomst en zonsondergang al merken dat we de winter achter ons gaan laten. Dat betekent ook dat het einde van het belichtingsseizoen in de chrysantenteelt nadert. De vraag is welke strategie je als teler hierbij het beste kunt hanteren. Zoals bij zoveel dingen: dit is per situatie weer anders, waarbij de factoren waarnaar gekeken moet worden wel weer universeel zijn.

Een belangrijke factor is het teeltschema. Simpel gezegd bepalen de plantdichtheid en vegetatieve dagen samen met de totale lichthoeveelheid (de mol-som uitgedrukt in mol PAR per m² per etmaal) het uiteindelijke gewicht per tak. Deze mol-som is afhankelijk van het buitenlicht en de hoeveelheid belichting. Hoe meer er de komende weken nog belicht wordt, hoe hoger de plantdichtheid en/of het aantal dagen vegetatief kunnen zijn.

Rendement op extra takken

En dan kom je al snel op de belangrijkste factor: het rendement. Leveren de extra takken die je maakt (of het extra gewicht per tak) nog genoeg op om de extra elektrakosten goed te maken? Wat de takken tussen half april en eind mei op gaan brengen is meestal nog een grote vraag, je kunt echter wel redelijk berekenen wat het kost om een extra tak te maken voor die periode. De belangrijkste invloeden die dit bepalen zijn de elektrakosten per kWh en de groei die je per mol maakt, de lichtbenuttingsefficiëntie (LBE). Bedrijven die de laatste jaren hun eigen LBE hebben berekend zijn hierbij in het voordeel.

Lampen aan of uit

De hoeveelheid buitenlicht ten opzichte van het langjarige gemiddelde zal de komende weken ook bepalen of de lampen al of niet makkelijk uit kunnen. Vorig jaar zorgde een uitzonderlijk zonnig voorjaar er bijvoorbeeld voor dat de lampen vanaf begin maart nog maar weinig aan zijn geweest. Dit jaar missen we de afgelopen 4 weken zo’n 20% buitenlicht. Dit kan met een aantal zonnige dagen in de komende weken weer goed worden gemaakt. Zo niet, dan moet je langer belichten. De hoge efficiëntie van de LED-lampen komt hierbij goed van pas. Hierdoor is het tot een redelijk hoge elektraprijs nog interessant om de kilowatts in het gewas te stoppen in plaats van te leveren aan het net.

Elektriciteitsprijs als graadmeter

Op basis van buitenlicht kunnen de lampen gedimd worden vanaf zo’n 300 watt/m² instraling en helemaal uit boven de 550 watt/m². In de praktijk is bij zonnig weer de prijs voor de elektra een veel belangrijkere graadmeter voor de belichtingsstrategie. Vaak is de prijs voor stroom op zonnige dagen laag, waardoor terugleveren op het net niet interessant is. Dan kun je er voor kiezen om langer door te belichten, bijvoorbeeld starten bij 400 watt en uit boven 650 watt.
Dit geldt zeker in situaties waarbij de WKK ook de CO₂ levert en er geen alternatieve bron is. De WKK op deellast laten draaien is dan ook nog een optie. Uiteraard is de inkoop van elektra dan al wel een stuk eerder gestopt. De vakken in de lange dag en de jongste vakken in de korte dag kunnen hierbij het snelst (gedeeltelijk) afgeschakeld worden.

Belichtingsstrategie bepalen

Voor bedrijven met een alternatieve CO₂-bron kan het prettig werken om de lampen op stralingssomverwachting uit te laten gaan en de WKK dan uit te zetten. Als de verwachting om 11.00 uur meer dan 1.000 joules/cm² aangeeft, dan kun je de lampen en de WKK uitschakelen. Zo kan er in de (duurdere) avonduren nog langer doorgedraaid worden.
Het is de komende weken nog wel belangrijk om in het laatste uur van de dag nog met minimaal 100 umol te belichten om afkoeling van het gewas te voorkomen.
Grotere bedrijven met meerdere WKK’s kunnen flexibeler opereren. Zij kunnen vaak machines uitzetten, terwijl andere WKK’s nog voor de CO₂ zorgen.
Kortom, voldoende factoren waar je als teler in de komende weken rekening mee moet houden om de belichtingsstrategie te bepalen.

Tekst: Paul de Veld, Delphy, beeld: Wilma van den Oever