Aantasting door insecten en schimmels kan de bestuifbaarheid van bloemen aantasten. Of juist verbeteren. Rusman Quint doet onderzoek naar de afweerstrategieën van planten voor zijn promotie aan Wageningen University. Meer inzicht in deze mechanismes is nodig om gebruik te kunnen maken van plantweerbaarheid bij geïntegreerde bestrijding (IPM).

Planten moeten zich in de natuur weren tegen een zeer grote groep belagers. Van zoogdieren en vogels tot insecten en beestjes die je niet met het blote oog kunt zien. In de kas kun je de grotere dieren buitensluiten, maar er blijft toch nog een fikse groep over.
Planten zijn zeker niet weerloos in de strijd. Ze verdedigen zich met stekels, haren, waslagen en allerlei chemische stoffen. Bij het laatste maken ze onderscheid naar het soort belager. Tegen schimmels maken ze andere afweerstoffen dan tegen insecten. Op dit soort afweer komt steeds meer zicht en dat is ook nodig, wil je meer gebruik kunnen maken van plantweerbaarheid bij de geïntegreerde bestrijding (IPM).

Insecten aantrekken

Planten proberen echter ook insecten aan te trekken om hun bloemen te laten bestuiven. Ze vormen opvallende bloemen, stoten geurstoffen uit en maken nectar aan. Allemaal om bestuivers te lokken.
Tot voor een aantal jaren werd over het hoofd gezien dat er een relatie kan bestaan tussen het aantrekken en afstoten. Dat een aanval van een belager effect kan hebben op de effectiviteit om gunstige insecten (bijen, hommels) aan te trekken. Quint Rusman bestudeert deze aspecten voor zijn promotie aan Wageningen University.

Natuurlijke vijanden

De relatie kan heel direct zijn. Bij een aanval van insecten of schimmels produceert de plant plantenhormonen zoals jasmonzuur of salicylzuur. En precies deze hormonen spelen ook een rol bij bloemvorming en -ontwikkeling en de bloeitijd. Bovendien bestaan er genetische en biochemische overeenkomsten tussen afweer en bloei. Bloeiende planten gebruiken bijvoorbeeld geurstoffen uit de bloem om bestuivers aan te trekken, maar ook om de natuurlijke vijanden van belagers te lokken. Kleurstoffen in de bloembladeren dienen om bestuivers te lokken, maar zijn van de andere kant giftig. Zo zijn er op veel vlakken links tussen bloei en afweer.

Nultolerantie

Rusman doet onderzoek met zwarte mosterd om meer zicht te krijgen op dit soort mechanismen. Meer inzicht zou op den duur effect kunnen hebben voor IPM. Als je bijvoorbeeld weet dat een bepaald insect de bestuifbaarheid sterk benadeelt, kun je daarvoor een nultolerantie hanteren, terwijl je bij andere insecten een hogere schadedrempel kunt aanhouden. Overigens gaat het bij dit onderzoek niet om zulke praktische richtlijnen, maar om de mechanismen.
In een van de deelonderzoeken werden de mosterdplanten blootgesteld aan zes soorten vretende belagers en bestoven met twee verschillende insecten. De vraat had gevolgen voor de vorm van de bloemblaadjes, bloemkleur, vorming van nectar en stuifmeel en de verhouding tussen de uitgestoten vluchtige stoffen. Dit alles had effect op het gedrag van de bestuivers.

Bestuiving

Hier zit geen algemene lijn in. Zo zorgde de ene soort luis ervoor dat de bestuivers de bloemen minder aantrekkelijk vonden, terwijl ze bij een andere soort luis juist meer aangetrokken werden. Wel reageerden beide bestuivers hetzelfde.
Ook was het moeilijk om verbanden te leggen tussen de aangeschakelde afweerroutes (jasmonzuur- vs. salicylzuurroute) en de effecten op de bloemkenmerken, laat staan het gedrag van de bestuivers. Maar wel is hard aangetoond dat aantasting door belagers de bestuiving kan beïnvloeden, in positieve of negatieve zin. Internationaal groeit het onderzoek op dit terrein; praktische consequenties zijn er vooralsnog niet te formuleren.

Tekst en beeld: Tijs Kierkels