Kwekerij Van Onselen doet dit seizoen een pilot met het gecontroleerd inbrengen van de aardappeltopluis in hun aubergineteelt. Dit om in een vroeg stadium een leger biologische bestrijders op te bouwen tegen schadelijke bladluis in het gewas. Tim van Onselen ziet kansen voor de strategie, maar stelt ook dat er nog een aantal grote uitdagingen zijn.

Het middelenpakket tegen schadelijke bladluis als de groene perzikluis en boterbloemluis gaat in de toekomst steeds schaarser worden, vertelt Tim van Onselen. “Dat betekent dat we nu al ervaring met biologische strategieën moeten opdoen. In paprika is deze praktijkproef succesvol gebleken, dat was voor ons de aanleiding om het systeem ook in de aubergineteelt te testen. Paprika is echter wel een ander gewas, het wil niet zeggen dat dit systeem ook in aubergine gaat slagen. Maar we durven het wel aan om dat te beproeven.”

Besmette rozenbladeren

De aubergineplanten zijn begin dit jaar geplant. In week 6 is de aardappeltopluis gecontroleerd in de teelt ingebracht op besmette rozenbladeren, die op een andere locatie waren opgekweekt. Dit gebeurde in negen ‘voedingsrijen’ van totaal 1.200 meter met zes kokers per voedingsrij, binnen een totaal areaal van 5,2 ha.
In week 7 was de populatie aardappeltopluis flink toegenomen en zijn de biologische bestrijders uitgezet: Propylea, een mix van sluipwespen, de galmug (Aphidoletes) en de gaasvlieg (Micromus).
Van Onselen: “Het idee van de proef is dat de aardappeltopluis dient als voedingsbron voor de biologie, om alvast een leger op te bouwen voor als er schadelijke luizen in het gewas komen. Aardappeltopluis is weliswaar ook een plaag in aubergine, maar hoeft geen probleem te worden als de biologie goed en snel aanslaat. Dat betekent dat je onder een bepaalde schadedrempel moet blijven. De ontwikkeling van de aardappeltopluis verliep echter sneller dan verwacht, waardoor we in week 9 alsnog chemisch moesten corrigeren.”

Galmug blijft achter

Wat opviel, was dat de Aphidoletes zich op de proeflocatie niet goed ontwikkelde, terwijl deze mug zich op de andere locaties van de auberginetelers wel goed opbouwt. “Dat kunnen we niet verklaren”, zegt Van Onselen. “Mogelijk was het nog te vroeg in het jaar voor de mug, dat moeten we goed uitzoeken. En hoewel de gaasvlieg en de Propylea wel goed aansloegen, heb je alle vier de biologische bestrijders nodig om de aardappeltopluis onder controle te houden.”
Op dit moment ziet Van Onselen voldoende biologische activiteit in het gewas. Maar, zegt hij, er komen nu spannende weken aan. “We gaan de zomer in, dan kunnen plagen heel snel exploderen. De groene perzikluis is het meest schadelijk voor aubergine, die veroorzaakt plakvruchten, en is veel moeilijker te controleren dan de aardappeltopluis. We zijn benieuwd of de balans tussen de biologie en aardappeltopluis in stand blijft en of het lukt andere bladluissoorten uit de aubergineteelt te houden.”

Pionieren met strategie

De aubergineteler ziet kansen voor de strategie, maar stelt ook dat er flinke uitdagingen zijn. Als succes noemt hij dat in week 18 pas de eerste echte plek met groene perzikluis in de kas is geconstateerd. “Normaal is dat al in week 10. Het lijkt erop alsof de aardappeltopluis een soort territorium in de kas heeft afgebakend.”
Uitdagingen zijn er ook: de teelt kan nog niet zonder gewasbeschermingsmiddelen. “We zetten nu wekelijks Propylea en andere biologie uit, maar een enkele chemische ingreep is nog wel noodzakelijk”, zegt Van Onselen. “Uiteindelijk willen we van het middelengebruik af. We hebben wel een blokbehandeling kunnen uitstellen, het gaat de goede kant op. Het is nu pionieren: wat zijn de juiste keuzes? Maar je kunt ook niet verwachten dat alles in één jaar is opgelost.”
Adviseur Sjors van den Berg van Quabio is de bedenker en uitvoerder van de pilot. De gewascoöperatie Aubergine van Glastuinbouw Nederland financiert de proef.

Tekst: Annemarie Gerbrandy