De problemen met Fusarium nemen de laatste vier jaar toe. De schimmel is extreem variabel, weet resistenties snel te overwinnen en is relatief ongevoelig voor fungiciden. Een gedegen aanpak is er nog niet. Er is wel kennis opgebouwd, bijvoorbeeld bij banaan, maar die is fragmentarisch. Voor creatieve oplossingen is investering noodzakelijk.

De lijst met gewassen die problemen hebben met Fusarium, is bijna eindeloos. Tomaat, komkommer, paprika, sla, tulp (‘het zuur’), lisianthus, chrysant en amaryllis zijn maar een paar van de mogelijke voorbeelden. En wereldwijd dreigt de bananenteelt te worden weggevaagd door de schimmel.
Het is tijd om het probleem maar eens duidelijk op tafel te leggen, vinden Anne van Diepeningen en Cees Waalwijk van Wageningen Universiteit & Research, onderdeel Biointeracties en Plantgezondheid. Ze worden daarbij ondersteund door LTO Glaskracht Nederland en door hun collega’s van de business units Glastuinbouw en Bollen, bomen en fruit.

Goed afgeschermd

“Het lijken allemaal op zichzelf staande problemen, maar bij elkaar is dit een groot en groeiend probleem”, zegt Waalwijk. Dat komt door het karakter van deze schimmel. Hij past zich snel aan en is van nature ongevoelig voor veel fungiciden. Van Diepeningen: “Van alle fungiciden werken alleen de middelen die ingrijpen op de aanmaak van ergosterol in de celmembranen van de schimmel. Bij Fusarium zijn andere processen schijnbaar goed afgeschermd.” Haar collega vult aan: “Misschien breekt hij de fungiciden snel af of pompt hij ze naar buiten. We hebben er te weinig zicht op.”
Naast de relatieve ongevoeligheid voor middelen muteert de schimmel ook nog eens veel. In de genetische wapenwedloop met de veredelaar is Fusarium zeker niet de zwakkere partij. Als het de veredelaar gelukt is een nieuw ras te ontwikkelen met resistenties tegen bestaande fysio’s (zie kader), duikt na relatief korte tijd vaak weer een nieuwe agressieve fysio op.

Bananenteelt

In de bananenteelt is het inmiddels wereldwijd groot alarm. Er wordt slechts één ras geteeld (Cavendish) en een fusariumsoort is vanaf Indonesië bezig met een opmars, die funest uitpakt. Voor de glastuinbouw heeft dat overigens een voordeel: er wordt geïnvesteerd in onderzoek en dat geeft nieuwe inzichten. Tegelijkertijd vertoont de kasteelt een opvallende analogie met de bananenteelt, ziet Waalwijk. “Ook bij veel tuinbouwgewassen is de gebruikte genenpool smal en zien we steeds meer transport over de hele wereld, waardoor ziektes sneller verspreiden.”
Om de problemen aan te kunnen pakken is beantwoording van twee vragen nodig: Hoe verspreidt de schimmel zich en hoe perk je hem in?

Goede gereedschap

Fusarium zit namelijk overal; sommige lijnen zijn ziekteverwekkend, andere zouden juist de oplossing kunnen vormen. “Je zou wellicht het probleem in lisianthus kunnen bestrijden met een Fusarium die in tomaat het probleem veroorzaakt. Dat heeft te maken met de genetische eigenschappen. De schimmel heeft genen die ‘m tot Fusarium maken en daarnaast genen die hem ziekteverwekkend maken. De laatste liggen op aparte chromosomen. Het is een soort inbrekerskoffertje met specifiek gereedschap om bij één bepaalde soort of ras in te breken. Bij een ander ras lukt het dan niet, omdat hij het goede gereedschap mist. Ook zijn er fysio’s die het hele koffertje missen”, vertelt Van Diepeningen.
Als je nu een schimmel zonder koffertje, of met het verkeerde koffertje inzet, kan die wellicht voorkomen dat de kwaadaardige soorten een kans krijgen. Hetzij door verdringing, hetzij doordat hij het afweersysteem van de plant alvast op scherp zet. Vergelijkbaar met het mechanisme bij de inzet van een zwakke stam van pepinomozaiekvirus.

Koffertjes uitwisselen

Om dat echter veilig te kunnen doen, is veel meer kennis nodig. De inbrekers moeten bijvoorbeeld geen koffertjes gaan uitwisselen, want dan wordt het probleem alleen maar groter.
Voordat het zover is, kunnen preventie en hygiëne wellicht beter worden aangepakt. Ook daarvoor is meer kennis nodig: waar houdt de schimmel zich op, in de lucht, de grond of het water? En hoe verspreidt hij zich? Waalwijk: “Bij het ene gewas zal de nadruk op de hygiëne moeten liggen, bij het andere op helemaal schoon beginnen. Het is nodig om alle kennis die al is verzameld in de verschillende teelten bij elkaar te brengen.”
Dat er duidelijke leemtes op dit terrein bestaan, laat een voorbeeld bij een slateler zien. Na het stomen van zijn grond is de eerste teelt top, de tweede al wat minder en daarna zakt het verder in. Blijkbaar weet de ziekteverwekker zich dus ondanks het stomen in het systeem te handhaven. Verder moet er op genetisch terrein voortgang worden geboekt. Omdat de fysio’s zo veel op elkaar lijken, is het in eerste instantie niet te zeggen of het een gevaarlijke of vriendelijke variant is als je de schimmel in de kas aantreft. Om dat snel te kunnen zeggen, moeten er karakteriserende genetische markers worden opgespoord, zodat een moleculaire test meteen uitsluitsel geeft.

Mycotoxines

Tot slot is er nog het dreigende probleem van mycotoxines. Dat zijn giftige stoffen die de schimmel gebruikt om de gastheer binnen te dringen. Soms zijn die ook giftig voor de mens. Ook als de plant ze onklaar weet te maken, bijvoorbeeld door er een suikermolecuul aan vast te plakken, kunnen ze voor de mens nog schadelijk blijven, omdat ze bij de spijsvertering weer vrijkomen. Wereldwijd is dit een serieus probleem bij de granen.
In de glastuinbouw is het gevaar voor de volksgezondheid gelukkig heel klein, omdat de veel voorkomende F. oxysporum geen toxines maakt. Maar alertheid is geboden. F. lactis, de veroorzaker van een bepaald soort binnenrot in paprika, kan bijvoorbeeld wel mycotoxines produceren.

Extreem variabel

Het merendeel van de problemen in de tuinbouw wordt veroorzaakt door één soort: Fusarium oxysporum. Deze is zeer variabel en past zich aan de gastheer aan.

Zo’n aangepaste vorm heet een formae specialis (f.sp.), gevolgd door de aanduiding van de gastheer. Bij tomaat bijvoorbeeld: lycopersici. Deze variant heeft zich gespecialiseerd op tomaat en is onschadelijk voor andere gewassen. Van zo’n speciale vorm kunnen zich verschillende fysio’s ontwikkelen. Bij tomaat zijn er nu drie bekend, bij sla vier en bij anjer wel veertien. Bij sla heet fysio 4 dan: Fusarium oxysporum f.sp. lactucae race 4.

Behalve de schimmel zelf zijn ook de symptomen zeer variabel: verwelking, rot, vergeling, groeiremming, roodbruine verkleuringen en afsterven van de hele plant. De schimmelsporen kunnen in de grond dertig jaar overleven. F. oxysporum tast meer dan 100 gewassen aan. Fusariumsoorten (waaronder F. oxysporum) kunnen bij de mens oog- en huidinfecties veroorzaken en zijn mede verantwoordelijk voor het ontstaan van kalknagels.

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Wilma Slegers en WUR