Voor het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen zijn verschillende technieken mogelijk. Een behandeling van het gewas kan met spuiten of met ruimtebehandelingen door middel van foggen of LVM (Low Volume Mist). Wat zijn de verschillen tussen deze technieken? En wat zijn de voor- en nadelen?

Spuiten is een veel gebruikte techniek voor het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor zijn een hogedrukpomp en een vloeistoftank nodig, die stationair is opgesteld of verrijdbaar zoals een spuitwagen. Met een dergelijke behandeling is het gewas goed te raken. Nadeel is dat het in vergelijking met een ruimtebehandeling gepaard gaat met een grote hoeveelheid water, waardoor het gewas langer nat blijft.
Een teler kan handmatig werken met een pistool. Bijvoorbeeld in de potplanten wordt dat veel toegepast voor gebruik van een middel over de planten heen. In een hoog opgroeiend groentegewas gebruiken telers soms een rugketel met spuitstok om enkele planten te behandelen. Voordeel van een handmatige aanpak is dat er gericht valt te werken met een plaatselijke behandeling van het gewas. Nadeel is het ongelijke spuitbeeld. Bovendien is het arbeidsintensief.

Automatisch

Een automatische werkwijze met een spuitrobot maakt het verspreiden van gewasbeschermingsmiddelen een stuk eenvoudiger en minder arbeidsintensief. De resultaten van deze behandelingen zijn ook beter dan met een pistool. De grote voordelen van de robot zijn de geregelde snelheid van toediening en de keuze om de spuitrichting te bepalen.
De automatische aanpak kan horizontaal met een spuitboom of verticaal met een -mast. Voor een optimale indringing van het gewasbeschermingsmiddel is het van belang dat er bij lage en dicht begroeide gewassen, zoals rozen en gerbera’s, voldoende nozzles onderaan de spuitmast zitten. Voor hoog opgroeiende groentegewassen zijn lange masten met nozzles nodig om alles te raken.
Een druk van ongeveer 9 bar geeft de beste verdeling. Deze relatief hoge druk is te hoog bij het gebruik van een Dosatron, een proportionele doseerpomp, die niet meer dan 6 bar druk kan hebben.

Toename doseerpomp

Op spuitrobots wordt steeds vaker een doseerpomp toegepast. Een ontwikkeling die naar verwachting zal toenemen. Deze pomp werkt zonder stroom en heeft de waterdruk als aandrijfkracht. Het apparaat zuigt de concentratie uit een middelentankje en doseert het gewenste percentage, waarna het in de mengkamer met water wordt gemengd. De waterdruk zorgt ervoor dat de oplossing doorstroomt. Na eenmalige instelling vereist de doseerpomp geen verdere controle of handeling.
De dosering van de concentratie is ook bij eventuele drukverschillen constant en proportioneel in verhouding tot de hoeveelheid water die doorstroomt. De uiterste doseerprecisie sluit overdosering volkomen uit. Voordeel van het op het laatst toevoegen van het gewasbeschermingsmiddel is dat er geen middel door leidingen gaat en het probleem van restvloeistoffen tot bijna nul is gereduceerd.

Met en zonder luchtondersteuning

Spuiten zonder luchtondersteuning is de traditionele manier. Toediening mét luchtondersteuning is nu meer de standaard techniek. Normaal gesproken zweeft een druppel door de lucht en botst tegen het blad. Bij een zeer dicht gewas komt de druppel er niet doorheen. Met luchtondersteuning krijgt de druppel extra kracht om verder het gewas binnen te dringen. Hierdoor wordt meer blad bedekt, tot wel 95%, terwijl dat met traditioneel spuiten maar 60-70% is.
Luchtondersteuning hangt dus af van de dichtheid van het gewas, maar ook van de te bestrijden ziekte of plaag. Voor lichte schimmelaantastingen en plagen zoals luis en trips in bloemknoppen – die aan de oppervlakte zitten – is luchtondersteuning niet nodig. Voor hardnekkige schimmels en bijvoorbeeld spint, die aan de onderkant van het blad zitten, is het wel noodzakelijk.
Doordat het aantal beschikbare middelen voortdurend afneemt en nieuwe middelen minder effectief werken, is het wel van belang om met luchtondersteuning te werken zodat het middel overal in het gewas komt.

Hightech met lucht

Luchtondersteuning bij het spuiten is duurder in aanschaf. Het kan eenvoudig met een luchtventilator die de door een nozzle vernevelde vloeistof verder blaast. Maar er zijn ook geavanceerdere technieken. Micothon heeft op alle spuitrobots een gepatenteerde, luchtondersteunende techniek voor een optimale bladbedekking en minder gebruik van middelen. Het resultaat is beter door een combinatie van de stand van ventilatoren, het volume lucht, de druk waarmee de lucht uit het apparaat komt en de druppelgrootte.
Holland Green Machine werkt niet met luchtondersteuning maar met luchtmenging. De S55 Airmixer is een robot met een gecombineerde lucht-vloeistof spuitmast. Op de mast worden in speciale mengkamers de lucht en de vloeistof onder druk met elkaar vermengd. Hierdoor ontstaat een zeer krachtige nevel, die diep het gewas indringt. Het Pieton spuitsysteem werkt op dezelfde wijze.
Horticoop ziet een ontwikkeling in het toepassen van lucht geïnjecteerde doppen op de spuitmast. Deze nozzle werkt zonder perslucht en zuigt zelf de lucht mee (venturi werking). De grotere druppel met lucht erin, heeft meer massa en geeft een betere indringing.

Afstelling doppen

De nozzles op de apparatuur van Empas staan onder een hoek van 15 graden. Hierdoor wordt al spuitend het blad iets opgetild voor een betere indringing. Met de positiespuitdoppen kan een teler vijf verschillende hoeken hanteren. Hierdoor is gericht werken mogelijk om de plaag optimaal van boven en onder te raken.
Voor een goed resultaat is het afstellen van de doppen erg belangrijk. Dit is simpelweg te controleren door een fluoriserend poeder bij de vloeistof te doen en dat te verspuiten. Vervolgens is met een UV-lamp te zien waar het middel op het gewas terecht is gekomen en of wijzigingen voor een beter resultaat noodzakelijk zijn.

Verplichte keuring

Naast een correcte afstelling van de spuitapparatuur is jaarlijks onderhoud en tijdige vervanging van de nozzles (minimaal 1x per jaar) de basis voor een goed resultaat. Bovendien is sinds 1 januari 2016 de periodieke keuring, iedere drie jaar, van alle typen toedieningsapparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen wettelijk verplicht op grond van de Wet Gewasbescherming en Biociden.
De keuringen zelf worden uitgevoerd door keuringsbedrijven, die door Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek (SKL) zijn erkend. Deze bedrijven beschikken over de juiste testapparatuur en goed opgeleide keurmeesters om de keuringen op een juiste manier uit te voeren. SKL controleert deze bedrijven periodiek.

Ruimtebehandelingen

Een ruimtebehandeling met een gewasbeschermingsmiddel kan met foggen of LVM-en (Low Volume Misting). Het verschil tussen deze twee toepassingen is de techniek en de manier van verspreiding, maar het resultaat is hetzelfde: nevel. Foggen is het thermisch vernevelen met straalmotoren die op benzine werken. De druppelgrootte is ongeveer 30 micron. LVM-en is het koud vernevelen van zeer kleine druppeltjes (5 tot 10 micron) door middel van perslucht of vacuüm- of luchtpompen, die elektrisch zijn aangedreven. De uitvoeringen met een pomp zijn LVM-installaties zonder compressor.
Het grote voordeel van een fogapparaat is de vernevelcapaciteit en mobiliteit. Het grootste apparaat kan ongeveer 60 liter per uur vernevelen, waarmee ongeveer 2 tot 3 ha per uur is te behandelen. Tevens is een fogapparaat niet gebonden door een elektriciteitskabel of persluchtleiding en heeft de gebruiker dus een groot deel van de verdeling zelf in de hand. Tralie voor tralie is de gehele kasruimte met nevel te vullen om een goede verdeling van het gewasbeschermingsmiddel te krijgen.

Verschillende capaciteiten

Een LVM-apparaat wordt over het algemeen maar op één plek neergezet. De ventilatoren zorgen wel voor enige verspreiding van de nevel, maar voor grotere oppervlaktes is ondersteuning van hulpventilatoren absoluut nodig om de druppeltjes verder de kas in te brengen. De worplengte van een enkel uitgevoerd apparaat is ongeveer 50 m en bij een dubbele uitvoering 50 m naar weerskanten. Als het middenpad langer is, is extra luchtondersteuning noodzakelijk.
De capaciteiten van LVM’s lopen sterk uiteen. Het is van groot belang om de keuze van een vernevelapparaat af te stemmen op het gewas en de kas. De conventionele perslucht variant met compressor heeft een relatief lage capaciteit van 4 tot 8 liter/uur. Echter als de teler veel persluchtcapaciteit beschikbaar heeft, is ook apparatuur met een grote vernevelcapaciteit van 40 tot 80 liter/uur mogelijk.

LVM met een luchtpomp

Kenmerk van de perslucht-LVM’s is dat ze de kleinste druppelgrootte hebben. Fijne nevel is ideaal voor doordringing in dichte gewassen. Voor grotere oppervlaktes zijn wel meerdere units nodig.
LVM’s zonder compressor, maar met een lagedruk luchtpomp, vernevelen vaak meer liters per uur (20 tot 30 liter/uur) waarbij de druppels groter zijn. De druppels dalen hierdoor sneller waardoor de verdeling over het gewas minder goed is.
De Fontan, die onder andere door Horticoop en Vos Capelle worden geleverd, en Powerfogger (eigen merk van Frans Veugen bedrijfshygiëne), werken op een luchtpomp. De lucht onder druk zorgt voor een venturi werking, waardoor de vloeistof uit de sproeier wordt meegezogen. Hierdoor koekt het middel niet aan.
Een luchtpomp maakt in vergelijking met een compressor nauwelijks geluid, geeft een constantere druk en gebruikt geen olie die eventueel kan gaan lekken. Een LVM met een luchtpomp is wel duurder dan met een compressor.

Voldoende vernevelvloeistof

Ongeacht de gebruikte techniek is het cruciaal om met een vernevelbehandeling voldoende vernevelvloeistof te gebruiken. De dosering is namelijk niet afhankelijk van de techniek, maar van het oppervlak. Vuistregel hiervoor is om 2 liter water per 1.000 m2 te gebruiken en daar het benodigde gewasbeschermingsmiddel per 1.000 m2 aan toe te voegen.
In de praktijk blijkt dat het toevoegen van nog meer liters water voor een betere verspreiding – waarbij de hoeveelheid middel per 1.000 m2 gelijk blijft – een positief effect heeft op het resultaat van de behandeling. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het te gebruiken fogapparaat. Want als een behandeling langer dan 2 uur gaat duren, gaat dat ten koste van de uniformiteit van de verdeling van de nevel.
Om het optimale resultaat van een ruimtebehandeling met een gewasbeschermingsmiddel te behalen, moet rekening worden gehouden met de volgende parameters: kasoppervlakte, padlengte, tijdsduur verspreiding (maximaal 2 uur) en de hoeveelheid in te brengen vloeistof. Voor de keuze van een bepaalde techniek, foggen of LVM, dienen telers zich goed te laten informeren door leveranciers van gewasbeschermingsmiddelen en/of vernevelingsapparatuur.

Gesloten luchtramen

De ruimtebehandelingen door foggen of LVM-en zijn gemakkelijk, besparen tijd en verbruiken in vergelijking met spuiten weinig water, waardoor het gewas snel droog is. Nadeel is dat niet alle middelen zijn te verwerken, waardoor niet alle plagen en ziektes met een ruimtebehandeling zijn te bestrijden.
Een ruimtebehandeling is alleen mogelijk bij gesloten luchtramen en windstil weer. In de praktijk geldt een windsnelheid van 3 m/s als uiterste grens. De kas moet tijdens en na de behandeling een aantal uren dicht blijven. Vooral in de zomer is dat een nadeel. En de temperatuur in de kas mag uiteraard niet verder oplopen, omdat door condensatie schade kan ontstaan.

Gehoorbescherming nodig

Bij foggen is geen ventilatie nodig. Wel moet de gebruiker bij het apparaat blijven staan, omdat deze moet worden verplaatst. Bij een LVM hoeft de teler niet aanwezig te zijn en is het apparaat van te voren in te stellen. Een fogapparaat heeft een straalpijp, volledig vervaardigd uit RVS, geen bewegende delen, maar is wel zeer luidruchtig waarvoor gehoorbescherming nodig is. De verbrandingsgassen van de benzine, het brandgevaar, mogelijke olielekkage, de warme lucht en het warm worden of verbranden van het middel zijn nadelen van foggen.
De praktijk heeft dan ook voorkeur voor geluidsarme- en gebruikersvriendelijke LVM-apparatuur. Deze installatie is in principe met een druk op de knop vanuit de bedrijfsruimte te bedienen. Op het vullen van het middelentankje na gaat het volautomatisch.

GPS-gestuurde vernevelapparaten

In de toekomst zijn enkele nieuwe ontwikkelingen te verwachten. Frans Veugen Bedrijfshygiëne, importeur van Pulsfog-apparatuur, is bezig met het ontwikkelen van een elektrothermisch vernevelapparaat dat de voordelen heeft van een fogapparaat, maar het gemak van de LVM. De warmte zorgt voor een behoorlijk kleine druppelgrootte, die de verspreiding en doordringing van de nevel aanzienlijk verbetert.
Daarnaast zijn de enorme kasoppervlaktes een uitdaging op het gebied van het verspreiden van de nevel. Het bedrijf denkt dat er in de toekomst ook pleksgewijs wordt verneveld. Enkel geselecteerde sectoren in de kas krijgen dan een behandeling met kleinere GPS-gestuurde vernevelapparaten. Dit kan automatisch gebeuren na werktijd, zodat er zo min mogelijk hinder is voor de dagelijkse werkzaamheden.

Samenvatting

Spuiten is een veel gebruikte techniek voor het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen. Dat kan handmatig met een pistool of automatisch met een robot, waarbij horizontaal een spuitboom en verticaal een -mast wordt gebruikt. Werken zonder luchtondersteuning is de traditionele manier, maar toediening met luchtondersteuning is nu meer de standaard techniek. Een ruimtebehandeling met een gewasbeschermingsmiddel kan met foggen of LVM-en (Low Volume Misting). Voor LVM is bij grotere oppervlakte extra ondersteuning met hulpventilatoren nodig. Bij foggen is geen extra ventilatie nodig, maar wel iemand om het apparaat te verplaatsen.

Tekst: Harry Stijger.

Gerelateerd