Betere resultaten bij zowel peren als jonge planten dankzij biostimulanten

Betere resultaten bij zowel peren als jonge planten dankzij biostimulanten

Dimitri Oosterwijk van Beekenkamp Plants bezocht perenteler Wim Bijl in Piershil. Waar jonge planten hooguit een aantal weken groeien, staan er op het fruitbedrijf drie tot dertig jaar oude bomen. En waar de jonge planten onder gecontroleerde omstandigheden opgroeien, moeten de peren zich ontwikkelen terwijl ze worden blootgesteld aan de weersomstandigheden. Beide gewassen hebben echter baat bij biostimulanten, die de groei en kwaliteit bevorderen, de weerbaarheid verhogen en de stress reduceren.

Het fruitbedrijf van Wim en Wouda Bijl stamt uit 1958, toen Wims vader met een gemengd bedrijf met appels en peren begon. In 1985 kwam hij in de maatschap met zijn vader en in 1992 nam hij het bedrijf over. De appels verdwenen stukje bij beetje, want de prijsvorming was dramatisch. In 2009 groeide het bedrijf met 9 ha tot de huidige 23 ha. Er staat nu 21 ha met Conference en 2 ha Doyenné du Comice.

Strakke planning

Bijls Fruit staat voor dikke peren, die zich onderscheiden in kwaliteit. Hij verkoopt de peren via internetveiling Service2fruit. “Het voordeel is dat we de peren niet meer verkopen aan ‘Piet om de hoek’, maar dat de verkoop transparant gebeurt. Je moet je product eerlijk beschrijven. Het is een mooi platform, waarmee je de afzet in eigen hand hebt. Iedere handelaar kan mijn peren kopen.”

Voor een extra goede kwaliteit peren is een goede planning noodzakelijk. Bijl en zijn vrouw hebben geen personeel, maar huren in de verschillende seizoenen mensen in. Van november tot maart zijn vijf mensen bezig met snoeien en in het voorjaar dunnen. “Dat kost ons 100 uur per ha. Eind augustus is het oogsttijd. We huren dan vijftig mensen in waarmee we in dertien dagen alle Conference plukken. Het is belangrijk om de peren zo snel mogelijk te plukken om verschillen in rijpheid te voorkomen. Rijpe peren zijn zachter. Ook moeten de peren snel worden gekoeld tot -0,8°C om narijpen te voorkomen. Wat we overdag oogsten, gaat uiterlijk negen uur ’s avonds de cel in.”

Biostimulanten

Ook een goede bemesting is belangrijk. Bijl doet al jaren aan fertigatie: het dagelijks meegeven van vloeibare meststoffen met het water. “Tot de bloei bemesten we goed. Vier weken na de bloei gaan we het rustiger aan doen en geven we minder water om de generatieve groei te bevorderen.”

Dit jaar werkte hij voor het eerst met het speciaal voor de fruitteelt ontwikkelde DuSol van Van Iperen, dat hij via fertigatie meegeeft. “Deze meststof bevat humine- en fulvinezuren en verschillende sporenelementen. Humuszuur zorgt ervoor dat de elementen gemakkelijker worden opgenomen. Het helpt onder andere bij de ijzeropname. Wanneer je het product meegeeft zie je dat het blad binnen een paar dagen donkerder wordt door de betere ijzeropname”, licht Bijl toe.

Sander Blok, teamleider productmanagement bij zijn toeleverancier: “We zien ook positieve effecten in de glastuinbouw met humuszuren in bijvoorbeeld radijs. Daar zorgt het product voor een betere beschikbaarheid van in de bodem aanwezig fosfaat voor de plant.”

De perenteler heeft driemaal met bladbemester Siliforce gespoten, iedere tien dagen. Dit maakt de peer 0,3 kilogram per cm2 harder. “Daardoor blijven ze net wat langer goed in de cel”, legt hij uit.

Opbrengst

“Ik wil een topteler zijn als ik daardoor drie cent per kilo meer kan krijgen.” Proeven vooraf heeft de fruitteler niet gedaan. Wel zit hij met een paar collega’s en zijn toeleverancier in een werkgroep om te bespreken hoe je het beste met biostimulanten om kunt gaan. DuSol bijvoorbeeld is ontwikkeld na overleg met de telers.

“Gewasbescherming wordt steeds complexer, ook in de fruitteelt. Door het gebruik van genoemde producten blijft het gewas in een betere conditie. Bij een sterker gewas hoef je minder te spuiten. Daardoor is de werking beter en is er minder kans op resistentie. Daardoor zijn er bijvoorbeeld minder problemen met perenbladvlooien“, legt Blok uit. Bijl heeft deze ervaringen ook op het eigen bedrijf. Hij heeft een gezonder gewas dat beter in balans is. Bladeren herstellen zich sneller na stress. Eventuele plagen zijn gemakkelijker te bestrijden. Hij had het afgelopen jaar geen problemen meer met perenbladvlo.

Plantenkweker

Dimitri Oosterwijk, die bij Bijl op bezoek is, houdt zich bij Beekenkamp Plants bezig met kwaliteit en onderzoek op het gebied van groenteplanten. Waar de fruitteler alleen maar peren heeft, die er jarenlang staan, heeft de plantenkweker een breed scala aan verschillende jonge planten van groentegewassen met ieder hun eigen verzorging.

Ook hij signaleert een afnemend pakket aan gewasbeschermingsmiddelen en is op zoek naar producten die de plant weerbaarder maken tegen pathogenen en insecten. “Dit probleem speelt bij ons al jaren. Het is lastig om je weg te vinden tussen de vele aanbieders. Ieder claimt het wondermiddel te hebben. Hoe weet je welk middel goed is? En voor welk gewas werkt zo’n middel wel en voor welk niet?”

Een belangrijke reden om met een biostimulant aan de slag te gaan komt vanuit de plantenkwekerij zelf: “We willen iets dat werkt. Wij doen daarom al jaren proeven met verschillende middelen, maar luisteren ook naar de wensen van onze klanten.”

Preventieve werking

Inmiddels heeft de plantenkweker een breed scala aan middelen getest. Opvallend is dat er geen algemeen recept is, maar dat het gewasspecifiek is welk product het meest geschikt is voor een specifiek gewas en de teeltomstandigheden. Zo gebruiken ze bijvoorbeeld op verzoek van een klant BlackJak in de slateelt. Dit is een product op basis van humuszuren en grondstof voor DuSol dat in de fruitteelt wordt gebruikt. Siliforce en AMX-Ca werken goed bij de opkweek van koolplanten. Bacterie- en schimmelpreparaten als Bactiva geven goede resultaten in venkel en in veldsla. Deze middelen zorgen voor een betere weerbaarheid van de wortels.

De grootste uitdaging ligt wat Oosterwijk betreft in de bestrijding van bladluis. “Het gebruik van natuurlijke vijanden in gewassen, met zo’n korte teeltduur als bij ons, is moeilijk en het vinden van gewasbeschermingsmiddelen is lastig. Daarom zoeken we het meer in producten die het gewas sterker maken, waardoor ze minder vatbaar zijn.” De plantenkweker zit bovendien in de positie om in een vroeg stadium het leven rondom de wortels toe te dienen.

Rode draad

Ondanks de ogenschijnlijke verschillen zit er een duidelijke rode draad in het verhaal: Wat kan een teler extra doen om een optimaal gewas te telen? Voor de informanten geldt dat een weerbare plant beter tegen ziekten, plagen en stress kan. In het geval van de fruitteler ligt de winst in een betere kwaliteit peren, die beter bestand zijn tegen stress door weersomstandigheden en minder vatbaar voor ziekten en plagen.

Voor de plantenkweker geldt dat een goede kwaliteit bij de start doorwerkt in de vervolgteelt. De winst ligt daarom in het leveren van weerbare planten, die al een gezond leven rondom de wortels hebben.

Samenvatting

Dimitri Oosterwijk van plantenkwekerij Beekenkamp bezoekt perenteler Wim Bijl in Piershil. Twee werelden die verschillen: bij de fruitteler staan bomen zeker 25 jaar, bij de plantenkweker hooguit zes weken. Toch hebben ze allebei behoefte aan meer dan alleen meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen. Niet alleen omdat er op beide een beperking ligt, maar vooral vanwege de meerwaarde. Biostimulanten kunnen de plantengroei stimuleren, de nutriëntopname bevorderen, de weerbaarheid van planten tegen ziekten en plagen verhogen en stress reduceren.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn.

Gerelateerd

Zoektocht naar vitale, weerbare plant is uitdagende puzzel

Zoektocht naar vitale, weerbare plant is uitdagende puzzel

Zomaar een actualiteitenprogramma eind januari. Naar aanleiding van een uitzending van De Wereld Draait Door wordt een discussie gevoerd over vermeende gevaren van big data. Het contrast met het volgende onderwerp is groot: het Nederlands Kampioenschap puzzelen; de aloude legpuzzel is de nieuwe trend. Wat een contrast, het lijkt de glastuinbouw wel.

Aan de digitale mogelijkheden en uitdagingen voor de sector heeft Onder Glas recent nog uitgebreid aandacht besteed, dat zal komende maanden niet anders zijn. Ondertussen gaan we puzzelen, want zo kan de hedendaagse strijd tegen ziekten en plagen gerust worden omschreven. Een vitaal en weerbaar gewas als resultaat van een uitdagende puzzel; geen plaatje op de doos als voorbeeld, maar een persoonlijke zoektocht, het proces van scouten, proberen en ervaren, leren van combineren. Dat is de rode draad in Onder Glas van februari, die in het teken staat van plantvitaliteit.

Tuinbouwpuzzel

Het aantal stukjes neemt voortdurend toe. Voor elk middel waarvan de toelating wordt ingetrokken of beperkt, komt een ‘cocktail’ in de plaats. Een mix van groene middelen en chemie – aangevuld met biostimulanten en niet te vergeten een krachtig ‘vreemdelingenlegioen’ van biologische bestrijders – zorgt voor een complexe ‘Jan van Haasteren tuinbouwpuzzel’. Een stukje retro in een hightech sector. Groene middelen hebben vaak hun oorsprong in de natuur, waar planten eeuwenlang vele beproevingen hebben doorstaan. Maar welke combinatie van middelen, stoffen en beestjes geeft voor de individuele teler het beste resultaat?

Green challenge

Puzzelen is vooral een groepsactiviteit. Adviseurs specialiseren zich in weerbaarheid en in een geïntegreerde teeltwijze. Onderzoeksprogramma’s – Green challenges – worden steeds specifieker, gericht op ontbrekende stukjes. Essentieel daarbij is de rol van toeleveranciers, die het vizier ook meer en meer hebben op een gecombineerde aanpak en telers daarin begeleiden.
De ‘green challenge’ is een ‘big challenge’. Waar de teler bij big data wordt geholpen door digitale platforms, is het bij plantgezondheid zaak om kennis te verzamelen en ketenbreed te delen. Stukje voor stukje naar het eindresultaat; de glastuinbouw in optima forma.

Roger Abbenhuijs.

Gerelateerd

3D-computermodellen robuust genoeg om proeven te vervangen

3D-computermodellen robuust genoeg om proeven te vervangen

Planten die dicht op elkaar staan, beconcurreren elkaar om het licht. Ze investeren in extra snelle groei om boven hun concurrenten uit te komen. Maar dit gaan ten koste van hun weerbaarheid tegen insecten. Hoe bepaal je dan een optimale plantdichtheid? 3D-computermodellen zijn voldoende ontwikkeld om dit soort vragen te beantwoorden, concludeert Jorad de Vries in zijn proefschrift voor Wageningen Universiteit.

Een plant, of hij nu in het wild staat of in een kas, is in een voortdurende slag verwikkeld met belagers en concurrenten. Hij verdedigt zich met hand en tand. Om insecten of schimmels af te weren maakt hij gifstoffen aan. Dat is echter nogal een kostbaar proces en de energie en voedingsstoffen die de plant in afweerstoffen stopt, kan hij niet gebruiken voor groei. En groei in de hoogte is mede nodig om buurplanten te overstijgen en zo het beste van het aanwezige licht te kunnen profiteren.

Optimale balans

Er vindt dus een voortdurende match plaats tussen verdediging en groei. Wetenschappers denken dat het winnen van de concurrentie om licht belangrijker is dan het verdedigen tegen plagen. Met een dichte plantafstand maak je dus zwakke planten.
Met lichtgevoelige pigmenten (fotoreceptoren) ziet de plant hoe dichtbij de buurplant staat. De verhouding tussen rood en verrood licht is daarbij bepalend. In de diepe schaduw – dit betekent dat de buurplant te dichtbij staat – is het aandeel verrood groot. Dat is het signaal om snel omhoog te groeien. De optimale balans tussen competitieve groei en verdediging is echter nog van meer factoren afhankelijk: welke soort buurplant aanwezig is, welke vorm die heeft en welke belagers er zijn.
De oude manier is: experimenteren met verschillende soorten plantafstand en plantvorm en dan bekijken of dat een effect heeft op de weerstand tegen ziekten en plagen. Te dicht op elkaar leidt zeker tot problemen, maar te ver van elkaar is niet economisch.

Stresstest

Driedimensionale computermodellen zijn zo ver ontwikkeld, dat ze een rol kunnen spelen bij zulke analyses. Jorad de Vries heeft met behulp van zulke modellen doorgerekend wat het effect is van verschillende maatregelen. Niet zozeer om die maatregelen uit te testen, maar om de computermodellen aan een soort ‘stresstest’ te onderwerpen. Zijn conclusie: de modellen zijn robuust genoeg om complexe interacties tussen plant en omgeving te kunnen bestuderen. Ze worden langzamerhand onmisbaar als vervanging of voorsortering bij proeven, veredeling en teeltsystemen.

Tekst: Tijs Kierkels.

Gerelateerd

Nieuwe methode: combinatie sterkere rassen, teeltmaatregelen en biologische controle

Nieuwe methode: combinatie sterkere rassen, teeltmaatregelen en biologische controle

Clavibacter veroorzaakt wereldwijd problemen in de tomatenteelt. De bacterieziekte heeft in Europa de quarantainestatus en moet worden geweerd. In Nederland krijgen jaarlijks enkele bedrijven ermee te maken. In 2018 bleken twee Nederlandse tomatenbedrijven besmet met de bacterie Clavibacter michiganensis ssp. michiganensis. In 2017 waren dat er vier. Een Wageningse promovenda heeft onderzocht hoe je sterkere tomaten krijgt die weerbaar zijn tegen de ziekte.

De aangetaste planten verwelken permanent en vertonen wonden en verslijming. Uiteindelijk gaan ze dood. Voor de telers is een besmetting vervelend: de besmette planten en een buffer eromheen moeten wettelijk worden verwijderd. Voor de tuinbouwsector is het ook erg vervelend. Weliswaar is elke vondst in Nederland tot nu toe succesvol aangepakt, maar de verspreiding blijft ongrijpbaar. Vaak is er geen besmettingsbron aan te wijzen.

Plant sterk maken

De ziekte is waarschijnlijk oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika en met zaad over de wereld verspreid. Deze clavibactersoort (er zijn er vele) staat op de Europese A2-quarantainelijst. Dat betekent dat de bacterie beperkt aanwezig is, maar dat de verspreiding voorkomen moet worden. Zestien Europese landen staan te boek als besmet. In Rusland, Griekenland en Zwitserland is de besmetting wijdverbreid; die lijst is ongetwijfeld langer, want van sommige landen is de situatie slecht in beeld, bijvoorbeeld Wit-Rusland en Armenië.
Als clavibacter-vrije landen gelden België, Scandinavië en het Verenigd Koninkrijk. Voor Nederland geldt momenteel een overgangssituatie (‘transient, under irradication’). Het kwaliteitssysteem GSPP (Good Seed and Plant Practices) is een belangrijke methode om verspreiding met zaad en jonge planten tegen te gaan. Er zijn echter nog meer wegen denkbaar, namelijk de tomatenplant zelf zodanig sterk maken dat hij geen last heeft van een besmetting. Een aantrekkelijke oplossing want in sommige landen, Mexico bijvoorbeeld, is de ziekte een regelrechte bedreiging voor de tomatenteelt.

Nieuwe screeningsmethode

De Maleisische studente Mas Muniroh Mohd Nadzir is half december gepromoveerd bij Wageningen University op onderzoek naar beheersingsmethoden. Tot nu toe steunt de aanpak van de ziekte vooral op preventie van besmetting en verspreiding. Als de ziekte er eenmaal is, is hij lastig te stoppen. Dan is alleen vernietiging van de aangetaste planten mogelijk.
De studente heeft andere methoden onderzocht, namelijk een combinatie van sterkere rassen, teeltmaatregelen en biologische controle. Daarbij gebruikte ze een nieuwe screeningsmethode om snel en goedkoop te kunnen bepalen of jonge tomatenplanten vatbaar of juist tolerant zijn voor de ziekte. Dit deed ze ook bij wilde tomatensoorten, zoals Solanum arcanum. Met de soorten die interessant leken, ging ze verder. Ze bracht in kaart op welke plek op de chromosomen de genen te vinden zijn waar de weerbaarheid tegen de ziekte op stoelt (dit heet QTL’s). Ze vond geen genen die totale resistentie tegen clavibacter geven, maar wel zogenaamde vatbaarheidsgenen (S-genen). Eentje daarvan lijkt interessant genoeg om te gebruiken bij veredeling op tolerantie voor de bacterie, zonder zichtbare schade. Maar ze schrijft in haar proefschrift ook dat dit ene gen nog maar het begin is voor veredeling met behulp van S-genen.

Afweersysteem op scherp

Naast dit genetische onderzoek heeft ze ook teeltmaatregelen onderzocht. Solanum arcanum als onderstam gaf wel bescherming, maar alleen als de clavibacter-bacterie via de wortel binnenkwam. Als hij bovengronds binnenkwam, maakte een weerbare onderstam niet uit. Datzelfde gold voor toepassing van biostimulanten. Vooral een Pseudomonas-soort gaf bescherming, maar ook hier ging het om bescherming tegen infectie via de wortels en niet via bovengrondse delen. Het idee is dat Pseudomonas voorkomt dat de schadelijke bacterie via de wortels binnendringt, maar verder geen effect heeft op het eigen afweersysteem van de plant, dus zogezegd dat afweersysteem op scherp zet.
Het onderzoek is een flinke stap op weg naar een andere omgang met Clavibacter michiganensis ssp. michiganensis.

Tekst: Tijs Kierkels.





Gerelateerd

Planten weerbaarder tegen Fusarium dankzij toevoeging groene middelen

Planten weerbaarder tegen Fusarium dankzij toevoeging groene middelen

Fusarium is voor veel telers een grote schadepost. Tegelijkertijd worden de gangbare mogelijkheden om deze schimmel te bestrijden beperkt door een krimpend middelenpakket. Een sprong van chemie naar ‘groen’ lijkt onafwendbaar. Veel bedrijven zijn al zoekende naar alternatieve oplossingen. Volgens onderzoekster Marta Streminska worden daarin stapjes gezet. Ze benadrukt dat het niet alleen gaat om het middel, maar zeker ook om de toepassing ervan. “Het gebruik van producten van natuurlijke oorsprong, vraagt om een andere mindset bij telers.”

Fusarium kan leiden tot wortelrot en verwelkingsziekte en uiteindelijk product doen afsterven. Een probleem, aangezien de middelenkast van telers nagenoeg leeg raakt. Daarnaast speelt er nog het risico van resistentie bij de beperkte groep toegelaten middelen. En dus rijst de vraag welke middelen van natuurlijke oorsprong er zijn om de weerbaarheid van bodem en plant te vergroten. Als onderdeel van de PPS Green Challenges voerde Wageningen University & Research daarom afgelopen jaar een weerbaarheidsonderzoek uit naar deze schimmel bij tomaat en lisianthus.

Drie mechanismen

De glastuinbouwsector heeft de ambitie de meest duurzame tuinbouwsector ter wereld te worden. De sector streeft daarbij naar een vrijwel emissie- en residuvrije productie met een sterk verminderde afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Een van de grootste uitdagingen hierbij is te komen tot een geïntegreerde aanpak van onder- en bovengrondse ziekten en plagen in robuuste teeltsystemen. Marta Streminska: “Ons onderzoek richtte zich op aanvullende maatregelen die een ondergrondse infectie kunnen verkleinen, dan wel tegengaan. En het mooie is dat we hiervoor producten kozen die ook daadwerkelijk commercieel verkrijgbaar zijn.”

De onderzoekers focusten zich op drie mechanismen: biologische gewasbeschermingsmiddelen (op basis van bacteriën en/of schimmels), versterking van plantresistentie tegen biotische stress door gebruik van zogenaamd elicitorsen en tot slot probeerden ze de weerbaarheid van substraat te verhogen door aanpassingen aan het substraat zelf te doen (zoals toevoegingen van organisch materiaal).

In de weerbaarheidstoetsen zijn twee waardplanten voor Fusarium gebruikt: tomaat en lisianthus. Producten en maatregelen zijn beoordeeld op de effectiviteit tegen de schimmel. Bovendien is er gekeken of die producten neveneffecten hebben op plantgroei in afwezigheid van het plantpathogeen.

Antagonistische bacteriën

Na vijf weken constateerden de onderzoekers de eerste ziektesymptomen en na zeven weken werden de planten beoordeeld. Streminska: “Vooral bij lisianthus zagen we duidelijke resultaten van de verschillende behandelingen. Behandeling met één van de micro-organismen resulteerde in meer dan 40% symptomenvermindering ten opzichte van onbehandelde planten. Hoe dat werkt?
Bij directe ziekte-onderdrukking door het toevoegen van antagonistische bacteriën of schimmels, wordt de groei van pathogenen onderdrukt. Het is echter een uitdaging om deze bacteriën een nieuw substraat te laten koloniseren.”

Competitie tussen de toegevoegde middelen en al aanwezige microbiële gemeenschappen kan het kolonisatieproces en de activiteit tegenwerken. De resultaten van de proef geven echter goede hoop dat het kan, alhoewel dosering en tijdstip van behandeling cruciaal lijken te zijn voor succesvolle werking.

Activiteit in de bodem

Ook de behandeling met één van de composten was positief (symptomenvermindering met meer dan de helft). “Door de microbiële activiteit in de bodem/substraat te verhogen, creëer je meer concurrentie. Toename van specifieke nuttige, niet-pathogene micro-organismen maakt het voor Fusarium lastiger om zich te vestigen en te groeien. Er is wel meer kennis nodig over wat precies deze specifieke compost weerbaar maakt. Pas dan kunnen we de weerbaarheid beter voorspellen en sturen.”

Toegegeven, meer dan een derde aangetaste planten is nog steeds veel. Maar, benadrukt Streminska: “Voor de proef hebben we uiteraard een heel hoge inoculum van de ziekteverwekker gebruikt. Graag wil ik deze proef herhalen om vast te stellen of effecten reproduceerbaar zijn. Daarbij komt dat we ook verder willen werken aan combinaties van maatregelen – een integrale aanpak – die uiteindelijk de plant tegen verschillende boven- en ondergrondse ziekten en plagen gaan beschermen. Dankzij middelen van natuurlijke oorsprong zouden wij bijvoorbeeld het gebruik van chemische middelen en bijbehorend residu kunnen verlagen. De uitkomsten van deze proef laten in ieder geval zien dat alternatieven, mits goed en tijdig uitgevoerd, een waardevolle aanvulling op een samengesteld gewasbeschermingspakket zijn.”

Helaas waren de effecten van de verschillende behandelingen bij tomaat minder goed zichtbaar. De Fusarium was hier niet goed aangeslagen en de resultaten dus onduidelijk.

Onderzoek naar metabolieten

Om de interactie tussen toevoeging en plant beter te begrijpen, werden tijdens de proef verschillende plantmetingen uitgevoerd, zoals lengte, vers- en drooggewicht. Er zijn ook additionele analyses uitgevoerd van plantsap. “Deze waarden geven ons onder meer inzicht in wat er zich afspeelt binnenin de plant. Verder is er samen met collega’s van andere Business Units van Wageningen Plant Research – Biointeracties en Bioscience – onderzoek gedaan naar PR-eiwitten en naar metaboliten in de plant. PR-eiwitten zijn belangrijk in geïnduceerde resistentie van de plant tegen pathogenen.”

Metabolieten zijn organische verbindingen die door de plant worden geproduceerd. De onderzoeksresultaten zijn nieuw voor lisianthus. Er wordt nu verder onderzocht om welke metabolieten het precies gaat en welke rol ze kunnen spelen tegen Fusarium en andere pathogene schimmels.

Meer nadruk op preventie

Dat natuurlijke middelen een positief effect kunnen hebben op de weerbaarheid, is volgens Streminska zeker duidelijk. En ja, die producten zijn al op de markt. “We moeten vooral nog ervaring opdoen met de juiste combinaties. Zowel van gewas en middel, maar zeker ook van teelt en toepassing. Producten als compost en plantversterkers moet je bijvoorbeeld gelijk aan het begin van de teelt toevoegen en niet pas later, wanneer het gewas al door ziekten is aangetast. Kortom, aan telers de uitdaging om meer preventief te gaan denken.”

PPS Green Challenges is een gezamenlijk project van LTO Glaskracht Nederland, Wageningen University & Research en LEI. De Topsector Tuinbouw & Uitgangsmateriaal honoreerde het vierjarige traject met medefinanciering van het ministerie van LNV.

Samenvatting

Uit proeven bij lisianthus blijken toevoegingen van natuurlijke oorsprong een positief effect te hebben op de weerbaarheid tegen Fusarium. Middelen op basis van bacteriën en compost helpen de infectie terug te dringen. Met dit inzicht maakt de sector een sprong richting een verder geïntegreerde teelt en kunnen bedrijven het gebruik van chemische middelen minimaliseren. Voorwaarde is dat de biologische producten preventief worden ingezet en niet pas wanneer ziektesymptomen zich openbaren.

Tekst: Jojanneke Rodenburg.
Beeld: Studio G.J. Vlekke.





Gerelateerd